Opschaling is een van de grootste uitdagingen voor bedrijven die nieuwe eiwittechnologieën naar de markt willen brengen. Foto's: Brabantse Ontwikkelings Maatschappij
Alternatieve eiwitten zijn in opkomst. Er ontstaan nieuwe ideeën uit wetenschappelijk onderzoek, gevestigde bedrijven komen met nieuwe producten en startups proberen baanbrekende innovaties naar de markt te brengen. Aan nieuwe ontwikkelingen geen gebrek, maar de opschaling is nog lastig. Terwijl dat juist zo belangrijk is om uiteindelijk impact te maken.
Een korte probleemschets: om op te schalen zijn vaak grote fabrieken met dure installaties nodig. Dat vraagt veel kapitaal, terwijl de bedrijven vaak ook nog bezig zijn met het doorontwikkelen en bewijzen van de technologie. Daarnaast is er in deze fase vaak nog geen zicht op de eerste omzet. Dat is een lastig pakket voor veel ondernemers, beaamt Thijs Bosch, CEO van The Protein Brewery. Het innovatieve bedrijf haalt voedingsstoffen, op dit moment met name eiwitten, uit biomassafermentatie.
Van lab naar fabriek
Elk bedrijf dat zich bezighoudt met alternatieve eiwitten en fermentatietechnologie heeft volgens Bosch behoefte aan een lab voor experimenten, gevolgd door een pilotfaciliteit voor de eerste opschaling en het maken van samples voor mogelijke klanten. Daarna volgt de opschaling naar een grote fabriek. “Het laboratorium voor een test op kleine schaal is beschikbaar via universiteiten of andere kennisinstellingen. Het ontbreekt vaak aan capaciteit voor de volgende stap om pre-commercieel te kunnen produceren”, zegt Bosch.
Gezamenlijke faciliteiten
Meer gedeelde faciliteiten voor de eerste pilots kunnen een uitkomst bieden. “Er zijn hier en daar wel wat mogelijkheden op dit gebied, maar het aanbod is beperkt en bovendien versnipperd. Ik denk dat we in de toekomst meer moeten inzetten op gezamenlijke faciliteiten waar startups processen kunnen testen en valideren, waar zij fouten mogen maken, kunnen leren en groeien”, stelt de ondernemer.
De pilotplant van The Protein Brewery, waar het bedrijf zelf inmiddels uitgegroeid is, vormt de basis van een fermentatiehub in Breda. Het geeft startups de ruimte om zich te ontwikkelen en er ontstaat een groot ecosysteem rond de hub. Bosch ziet het als een mooie kans voor de regio om de bestaande faciliteiten beter te benutten en de kosten te delen.
“Als we willen dat veelbelovende foodtech-innovaties in Brabant doorgroeien, moeten we niet alleen investeren in technologie, maar vooral in de randvoorwaarden voor opschaling”, stelt Brigit van Dijk-van de Reijt, CEO van de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM). “Pilotfaciliteiten werken pas echt als ze professioneel worden beheerd, toegankelijk zijn voor meerdere gebruikers en financieel duurzaam kunnen draaien. Daar is regie, ondernemerschap en geld voor nodig. Precies op dat punt moeten overheid, bedrijfsleven en ontwikkelpartners nu de krachten bundelen.”
Meer ruimte voor opschaling
Dit sluit goed aan bij de ambitie van de provincie Noord-Brabant, de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) en REWIN om de Scale-Up Plant of Europe te worden. Brabant wil voedselvernieuwers ondersteunen. De provincie kent een sterke voedselsector, toonaangevende kennisinstellingen, een grote maakindustrie en een snelgroeiend netwerk van innovators om nieuwe ideeën op de markt te kunnen brengen.
De Brabantse kracht
Brigit van Dijk-van de Reijt: “Nederland heeft een unieke uitgangspositie als het gaat om plantbased innovaties, waarin Brabant een steeds grotere rol speelt. Met een sterke biotechbasis, toonaangevende voedselproductie, technische maakkracht, kennisinstellingen die gespecialiseerd talent opleiden en een keur aan pilotfaciliteiten groeit het Brabantse ecosysteem naar Europese schaal. Daarnaast neemt het aantal startups en scale-ups in de sector gestaag toe, naast het al bestaande bredere MKB en bedrijven zoals Cosun. Brabant kan dé Europese broedplaats worden waar foodtech-startups van idee naar markt gaan.”
Het ecosysteem heeft al verschillende successen behaald op dit gebied. Zo schaalt Revyve zijn technologie om voedingsingrediënten te halen uit gist op bij de pilotfaciliteit INICIO in Dinteloord. Ook Rival Foods, gevestigd in Geldrop, timmert goed aan de weg. Zij maken plantaardige alternatieven voor vlees en vis, met dezelfde structuur en bite als het originele product. Bosch: “Er worden mooie stappen gezet en het ecosysteem zet flink in op groei. Dat stemt me zeker positief.”
Meer groeikapitaal
Al ziet de ondernemer ook nog ruimte voor verbetering. Het kapitaal dat beschikbaar is voor de opschaling van nieuwe voedingstechnologie is in Europa niet toereikend. Bosch: “In Amerika zie je dat bedrijven de technologie zo snel mogelijk gebruiken en tegelijkertijd doorontwikkelen om het grootste risico eruit te halen. Daarna gaan ze meteen opschalen zodat de prijs per kilo product snel naar beneden kan. Hiervoor is financiering beschikbaar, want investeerders zijn over het algemeen meer bereid om dit soort risico’s te nemen. Dat zien we in Europa nog te weinig.”
Brigit van Dijk-van de Reijt geeft aan dat de kapitaalmarkt nog onvoldoende is ingericht op de lange en risicovolle opschalingsfase van plantbased biotechstartups. “Juist in die fase bepalen startups of ze hier kunnen doorgroeien of elders hun weg naar de markt vinden. Daarom is extra groeikapitaal nodig, publiek én privaat.”
De weg naar de markt
Volgens Bosch is het belangrijk om een goede discussie te voeren over de positie van Nederland en Europa in dit geheel. “Het is cruciaal om de samenwerking tussen regio’s en tussen lidstaten op te zoeken”, stelt hij. De lidstaten van de EU zouden bijvoorbeeld allemaal een andere rol kunnen spelen in het ecosysteem en elkaar kunnen aanvullen. “Uiteindelijk zorgt dat voor een flinke besparing in tijd en geld. Dat zijn precies twee dingen waar startups meestal niet veel van hebben.”
Brigit van Dijk-van de Reijt concludeert: “De voedseltransitie is onomkeerbaar. Om onze positie als foodtech-regio verder uit te bouwen, is het nodig om Brabantse foodtech-bedrijven sneller te laten groeien. Zo dragen we direct bij aan het toekomstige verdienvermogen van een duurzaam Nederland.”