Het Europees Parlement heeft besloten dat er wetgeving moet komen die termen als 'plantaardige schnitzel' aan banden legt. Foto: Herbert Wiggerman
De vegaburger is zo ingeburgerd dat zelfs de slager hem zonder knipperen verkoopt. Iedereen weet wat het is: een plantaardig alternatief in de vorm van vlees. Ondanks die ogenschijnlijke duidelijkheid besloot het Europees Parlement in oktober dat er wetgeving moet komen die termen als ‘vegetarische worst’, ‘vegaburger’ en ‘plantaardige schnitzel’ aan banden legt.
Die ontwikkeling staat niet op zichzelf. In november oordeelde het Hof van Justitie – de hoogste Europese rechter – dat een alcoholvrije drank niet mag worden verkocht als ‘alcoholvrije gin’. De reden is simpel: voor de wettelijke benaming ‘gin’ gelden vaste eisen, waaronder een minimaal alcoholpercentage van 37,5%. Een alcoholvrij product voldoet daar per definitie niet aan. Het Hof vindt daarom dat de benaming misleidend kan zijn, ook wanneer het woord ‘alcoholvrij’ er gewoon voor staat.
Namen vertegenwoordigen kwaliteit
De bescherming van benamingen voor levensmiddelen heeft zonder twijfel een functie. Je moet niet alles zomaar prosecco, parmezaan of gin kunnen noemen. Zulke namen vertegenwoordigen kwaliteit, traditie en soms een geografische herkomst die terecht bescherming genieten, zoals sinds vorig jaar de Limburgse vlaai.
Tegelijkertijd kun je je afvragen of het nodig is om taalregels voor producten zo strak aan te trekken als het gaat om evidente alternatieven. Het beschermen van tradities is wat anders dan elke nieuwe plantaardige of alcoholvrije vondst in een taalkundige dwangbuis stoppen. De gemiddelde consument weet echt wel dat een vegaburger geen vlees bevat en dat alcoholvrije gin geen kater veroorzaakt.
Je moet de taal niet té strak organiseren
En juist daar wringt het: als we de taal té strak organiseren, maken we het voor innovatieve bedrijven onnodig moeilijk. Nederlandse bedrijven die werken aan plantaardige, alcoholvrije of anderszins vernieuwende producten, floreren bij ruimte om die innovaties ook begrijpelijk en aantrekkelijk te vermarkten. Als we alle creativiteit dichtregelen uit angst voor vermeende verwarring, slaan we de plank mis én missen we kansen. Het idee dat consumenten massaal ontsporen door een woordje meer of minder, lijkt me een onderschatting van het winkelende publiek.
Als we creativiteit dichtregelen, missen we kansen
Misschien laat deze discussie vooral zien dat we beter moeten kiezen waar we onze regelenergie in steken. Bescherming van authentieke producten is logisch. Maar extra regels over namen, waarvan iedereen de betekenis snapt, leiden vooral af van de échte uitdagingen in de voedselketen. Soms helpt strakke regulering, soms staat het simpelweg in de weg. De kunst is om dat onderscheid niet te verliezen.
De vegaburger is zo ingeburgerd dat zelfs de slager hem zonder knipperen verkoopt. Iedereen weet wat het is: een plantaardig alternatief in de vorm van vlees. Ondanks die ogenschijnlijke duidelijkheid besloot het Europees Parlement in oktober dat er wetgeving moet komen die termen als ‘vegetarische worst’, ‘vegaburger’ en ‘plantaardige schnitzel’ aan banden legt.
Die ontwikkeling staat niet op zichzelf. In november oordeelde het Hof van Justitie – de hoogste Europese rechter – dat een alcoholvrije drank niet mag worden verkocht als ‘alcoholvrije gin’. De reden is simpel: voor de wettelijke benaming ‘gin’ gelden vaste eisen, waaronder een minimaal alcoholpercentage van 37,5%. Een alcoholvrij product voldoet daar per definitie niet aan. Het Hof vindt daarom dat de benaming misleidend kan zijn, ook wanneer het woord ‘alcoholvrij’ er gewoon voor staat.
Namen vertegenwoordigen kwaliteit
De bescherming van benamingen voor levensmiddelen heeft zonder twijfel een functie. Je moet niet alles zomaar prosecco, parmezaan of gin kunnen noemen. Zulke namen vertegenwoordigen kwaliteit, traditie en soms een geografische herkomst die terecht bescherming genieten, zoals sinds vorig jaar de Limburgse vlaai.
Tegelijkertijd kun je je afvragen of het nodig is om taalregels voor producten zo strak aan te trekken als het gaat om evidente alternatieven. Het beschermen van tradities is wat anders dan elke nieuwe plantaardige of alcoholvrije vondst in een taalkundige dwangbuis stoppen. De gemiddelde consument weet echt wel dat een vegaburger geen vlees bevat en dat alcoholvrije gin geen kater veroorzaakt.
Je moet de taal niet té strak organiseren
En juist daar wringt het: als we de taal té strak organiseren, maken we het voor innovatieve bedrijven onnodig moeilijk. Nederlandse bedrijven die werken aan plantaardige, alcoholvrije of anderszins vernieuwende producten, floreren bij ruimte om die innovaties ook begrijpelijk en aantrekkelijk te vermarkten. Als we alle creativiteit dichtregelen uit angst voor vermeende verwarring, slaan we de plank mis én missen we kansen. Het idee dat consumenten massaal ontsporen door een woordje meer of minder, lijkt me een onderschatting van het winkelende publiek.
Als we creativiteit dichtregelen, missen we kansen
Misschien laat deze discussie vooral zien dat we beter moeten kiezen waar we onze regelenergie in steken. Bescherming van authentieke producten is logisch. Maar extra regels over namen, waarvan iedereen de betekenis snapt, leiden vooral af van de échte uitdagingen in de voedselketen. Soms helpt strakke regulering, soms staat het simpelweg in de weg. De kunst is om dat onderscheid niet te verliezen.
Mis geen enkel topverhaal op Eiwit Trends
Dit premium artikel is enkel beschikbaar voor abonnees
Beperk risico's met betere investeringen
Versterk je ketenpositie met de juiste partners
Versnel innovaties met de nieuwste trends
Beleef journalistiek van top niveau door collega’s, ervaren redacteurs én experts uit de sector.
Wendy Noordzij
Alieke Hilhorst
Chris Polkamp