Skip to content

Trendreport: Hoe vullen we de 40% dierlijk in binnen de eiwittransitie?

Als 60% plantaardig het doel is, blijft 40% dierlijk over. De invulling verschuift naar minder volume, minder impact en een functie in een circulair voedselsysteem.

Hoe worden dierlijke eiwitten duurzamer? Foto: Gegenereerd met Reve.art AI premium

Hoe worden dierlijke eiwitten duurzamer? Foto: Gegenereerd met Reve.art AI

De eiwittransitie draait om een betere balans tussen plantaardige en dierlijke eiwitten. Supermarkten en belangenorganisaties sturen steeds vaker op een verhouding van 60% plantaardig en 40% dierlijk. Maar als die 60% plantaardig het doel is, rijst automatisch de vraag: hoe moet die resterende 40% dierlijk worden ingevuld?

Die verhouding is voorlopig nog geen realiteit. De voedingsmiddelenindustrie, retail, overheden en andere stakeholders staan nog voor de opgave om de consumptie daadwerkelijk te verschuiven. Tegelijkertijd is dit het moment om na te denken over de rol van dierlijke eiwitten in dat toekomstige systeem. Want hoewel de consumptie moet dalen, zal dierlijk eiwit niet verdwijnen. Dat blijkt ook uit de herziene richtlijnen van de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum.

Het EAT-Lancet Commission-dieet vertrekt vanuit de vraag hoe een groeiende wereldbevolking gezond gevoed kan worden binnen planetaire grenzen. Volgens de onderzoekers levert een verschuiving naar een meer plantaardig dieet de grootste milieuwinst op. Zij adviseren een vleesconsumptie van circa 13 tot 15 kilo per persoon per jaar. Ter vergelijking: in Nederland ligt die consumptie rond de 55 kilo per jaar (op basis van karkasgewicht, omgerekend naar eetgewicht). Om aan deze richtlijn te voldoen, zou de consumptie met ongeveer 75% moeten dalen.

Dat betekent dat er ruimte blijft voor dierlijk eiwit, maar dat die ruimte beperkt is. De invulling daarvan wordt daarmee bepalend.

Verschillen in uitstoot binnen dierlijk eiwit

De vraag is niet alleen hoeveel dierlijk eiwit er overblijft, maar ook welk type dierlijk eiwit. Analyses van onder meer Wageningen University & Research, statistiekbureau CBS en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) laten zien dat de klimaatimpact sterk verschilt per diersoort.

Op basis van de meest recente LCA-database van het RIVM (2023/2024), die kijkt naar de volledige levenscyclus van ‘wieg tot consumptie’, ontstaan duidelijke verschillen:

• Kip: circa 10–11 kilo CO2-equivalent per kilo vlees

• Varken: circa 12–13 kilo CO2-equivalent per kilo vlees

• Rund: circa 30–31 kilo CO2-equivalent per kilo vlees

De relatief lage uitstoot van kip komt vooral door efficiënte voederconversie en het ontbreken van methaanemissies. Rundvlees kent juist een hoge klimaatimpact, met name door methaanuitstoot uit pensfermentatie. Varkensvlees bevindt zich daar tussenin, met emissies die grotendeels voortkomen uit voerproductie en mestverwerking.

Ter vergelijking: plantaardige eiwitbronnen zoals veldbonen zitten op circa 0,8–1,2 kilo CO2-equivalent per kilo product.

Dat dierlijk eiwit gemiddeld een grotere uitstoot heeft dan plantaardig eiwit, is daarmee duidelijk. Tegelijkertijd geeft CO2-uitstoot alleen een onvolledig beeld.

Van volume naar functie

Vanuit duurzaamheidsperspectief zou de manier waarop wordt gekeken naar dierlijk eiwit moeten veranderen, stellen verschillende onderzoekers waaronder hoogleraar Dieren & Duurzame Voedselsystemen Imke de Boer. De rol van dierlijk eiwit moet dan verschuiven van volume naar functie. Waar dierlijke productie lange tijd gericht was op maximale output, komt de nadruk in een toekomstig voedselsysteem te liggen op efficiëntie en het sluiten van kringlopen. Dat betekent dat dieren in toenemende mate worden ingezet om reststromen te verwaarden, zoals bijproducten uit de voedselverwerking die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie, en gras.

Tegelijkertijd verschuift de focus naar diersoorten die efficiënter omgaan met grondstoffen en een lagere klimaatimpact hebben, zoals pluimvee, varkens en in toenemende mate vis en schelpdieren. De verschillen in uitstoot tussen deze categorieën maken duidelijk dat niet elke dierlijke eiwitbron dezelfde plek kan behouden binnen die resterende 40%.

Er zijn allerlei ideeën over hoe de consumptie duurzamer kan, maar de grote vraag blijft ook hoe de consument hierin wordt meegenomen

Daarmee verandert ook de functie van dierlijke producten in het dieet. In plaats van een dominante bron van eiwit, worden ze meer een gerichte aanvulling vanwege hun voedingswaarde, bijvoorbeeld als bron van vitamine B12, ijzer en calcium. De invulling van die 40% ligt daarmee niet alleen in minder, maar vooral in anders: minder volume, een andere samenstelling en een betere benutting van het dier. Dat vraagt niet alleen aanpassingen in de productie, maar ook in consumptiepatronen en acceptatie van producten die nu nog minder vanzelfsprekend zijn, zoals orgaanvlees of schelpdieren.

De rol van dieren in een circulair systeem

Onderzoekers van Wageningen University & Research kijken in studies naar hoe een circulair voedselsysteem kan aansluiten op de uitgangspunten van het EAT-Lancet Commission-dieet. In zulke scenario’s verandert de rol van dieren fundamenteel.

Dieren verschuiven van primaire producenten van eiwit naar verwerkers van reststromen. Biomassa die niet geschikt is voor menselijke consumptie – zoals bijproducten uit de voedselverwerking en gras – kan worden opgewaardeerd tot hoogwaardige dierlijke producten en mest. Tegelijkertijd blijven dierlijke producten relevant als bron van essentiële nutriënten, zoals vitamine B12, bepaalde vetzuren en calcium.

Ook dierlijke mest speelt een belangrijke rol als organische bron van stikstof en fosfor en als alternatief voor kunstmest.

Binnen deze scenario’s is wel sprake van een forse krimp van de veestapel. In sommige modellen wordt een reductie van circa 90% genoemd, met name bij herkauwers. Tegelijkertijd verschuift de focus naar dieren die efficiënter omgaan met reststromen en een lagere klimaatimpact hebben, zoals varkens en pluimvee.

Dieren blijven daarmee onderdeel van het systeem, maar in kleinere aantallen en met een andere functie: het sluiten van kringlopen.

De rol van vis en schelpdieren

Naast vlees en zuivel blijven vis en schelpdieren in de discussie vaak onderbelicht, terwijl ze een rol kunnen spelen in de invulling van dierlijk eiwit.

Volgens de Nederlandse Schelpdierhandel zijn vooral schelpdieren interessant vanuit duurzaamheidsperspectief. Voorzitter Wouter van Zandbrink wijst erop dat visserij weinig landgebruik kent en dat aquacultuur schaalbaar kan zijn, mits goed ingericht.

Tegelijkertijd is overbevissing een belangrijk aandachtspunt en is de Europese aquacultuur nog beperkt ontwikkeld. Van Zandbrink: “Opschaling is enorm belangrijk als mariene eiwitten een bijdrage leveren aan het verduurzamen van de consumptie.”

Schelpdieren, zoals mosselen en oesters, hebben een kleine ecologische voetafdruk. Ze voeden zich met plankton en hebben geen aanvullende voeding of kunstmest nodig. De CO2-uitstoot is daardoor grotendeels beperkt tot de inzet van schepen, die stapsgewijs worden geëlektrificeerd. Bij schelpdieren is bovendien geen sprake van overbevissing, omdat het gaat om kweek op percelen onder water.

De focus ligt op plantaardig. Dat is goed, maar zo verlies je duurzame dierlijke eiwitbronnen uit het oog

Op dit moment eten Nederlanders te weinig vis en schelpdieren. Daarom riep voormalig landbouwminister Piet Adema ook op om mariene eiwitten los te zien van de eiwittransitie. Aanvankelijk maakte hij hierin geen expliciet onderscheid, maar later voegde hij mariene eiwitten alsnog toe, onder meer in een interview in het Reformatorisch Dagblad. In dat kader schreef hij dat “de verschuiving van dierlijke naar plantaardige eiwitten – met name gerealiseerd moet worden door gemiddeld minder vlees te gaan eten, met name minder rood en bewerkt vlees”.

Van Zandbrink stelt dat schelpdieren een zeer duurzame bron van eiwitten zijn. Het huidige 60/40-frame leidt er volgens hem echter toe dat mariene eiwitten onvoldoende in beeld zijn bij retail, de Rijksoverheid en de consument. “De focus ligt op plantaardig. Dat is goed, maar zo verlies je duurzame dierlijke eiwitbronnen uit het oog. Vis en schelpdieren worden onvoldoende gezien als onderdeel van het toekomstig menu.”

Hoe de retail hiermee omgaat

In de praktijk maken retailers al keuzes in hoe zij dierlijk eiwit positioneren. Ekoplaza heeft de gewenste balans van 60/40 al behaald. De verhouding ligt bij de biologische supermarkt op 66,2% plantaardig. Toch blijft dierlijk onderdeel van het assortiment.

Volgens Steven IJzerman, kwaliteitsmanager bij biologische groothandel Udea, is biologisch daarbij een randvoorwaarde. “We zien een rol voor dieren in de landbouw. In biologische systemen wordt gestreefd naar kringlopen waarin dieren een functie hebben. Vanuit die gedachte bieden we ook dierlijke producten aan.”

Biologisch vlees in het schap van Albert Heijn. Foto: Jan Willem Schouten Biologisch vlees in het schap van Albert Heijn. Foto: Jan Willem Schouten

Vraag van consument

Daarnaast speelt de vraag van de consument een rol. Ekoplaza probeert die vraag zo duurzaam mogelijk in te vullen, onder meer door te kijken naar herkomst en de bredere rol van dieren. Zo verkoopt de retailer vlees van dubbeldoelkoeien en dieren die eerst voor andere doeleinden zijn ingezet, zoals leghennen.

Ook zet de supermarkt in op het beter benutten van het dier. Orgaanvlees en vlees van mannelijke dieren, zoals bokken, maken onderdeel uit van het assortiment, al blijft de vraag daarnaar nog beperkt. IJzerman: “We proberen onze klanten te stimuleren om ook duurzame keuzes te maken met dierlijke producten. Dat vergt uitleg, maar dat is wel iets wat we belangrijk vinden als supermarkt.”

Herdefiniëring van dierlijk eiwit

Een duurzamere dierlijke consumptie hangt ook samen met hoe er naar voedsel wordt gekeken. De invulling van de 40% dierlijk verschuift dan fundamenteel. Niet langer staat de vraag centraal hoeveel dierlijk eiwit we produceren, maar welke rol het vervult binnen het voedselsysteem. Verschillen tussen diersoorten, productiemethoden en toepassingen worden daarin bepalend. Dierlijk eiwit blijft onderdeel van het dieet, maar verliest zijn positie als dominante eiwitbron en krijgt een meer gerichte functie: het benutten van reststromen, het leveren van specifieke nutriënten en het bijdragen aan het sluiten van kringlopen.

In de praktijk betekent dit een combinatie van minder consumptie, een verschuiving naar eiwitbronnen met een kleinere impact en een betere benutting van het dier. Tegelijkertijd vraagt dit om andere keuzes in de keten, van productie tot retail en consument. Daarmee ligt de sleutel voor die 40% niet alleen in reductie, maar in herdefiniëring: dierlijk eiwit als onderdeel van een efficiënter en meer circulair voedselsysteem.

Er zijn allerlei ideeën over hoe de consumptie duurzamer kan, maar de grote vraag blijft ook: hoe wordt de consument hierin meegenomen? Dat is hét vraagstuk, ook in de eiwittransitie. Het belang daarvan is onverminderd, want 60/40 is nog niet bereikt. Wel zien we meer initiatieven om dit vraagstuk op te lossen in de eiwittransitie. Wie pakt dit op bij duurzamer dierlijk?

De eiwittransitie draait om een betere balans tussen plantaardige en dierlijke eiwitten. Supermarkten en belangenorganisaties sturen steeds vaker op een verhouding van 60% plantaardig en 40% dierlijk. Maar als die 60% plantaardig het doel is, rijst automatisch de vraag: hoe moet die resterende 40% dierlijk worden ingevuld?

Die verhouding is voorlopig nog geen realiteit. De voedingsmiddelenindustrie, retail, overheden en andere stakeholders staan nog voor de opgave om de consumptie daadwerkelijk te verschuiven. Tegelijkertijd is dit het moment om na te denken over de rol van dierlijke eiwitten in dat toekomstige systeem. Want hoewel de consumptie moet dalen, zal dierlijk eiwit niet verdwijnen. Dat blijkt ook uit de herziene richtlijnen van de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum.

Het EAT-Lancet Commission-dieet vertrekt vanuit de vraag hoe een groeiende wereldbevolking gezond gevoed kan worden binnen planetaire grenzen. Volgens de onderzoekers levert een verschuiving naar een meer plantaardig dieet de grootste milieuwinst op. Zij adviseren een vleesconsumptie van circa 13 tot 15 kilo per persoon per jaar. Ter vergelijking: in Nederland ligt die consumptie rond de 55 kilo per jaar (op basis van karkasgewicht, omgerekend naar eetgewicht). Om aan deze richtlijn te voldoen, zou de consumptie met ongeveer 75% moeten dalen.

Dat betekent dat er ruimte blijft voor dierlijk eiwit, maar dat die ruimte beperkt is. De invulling daarvan wordt daarmee bepalend.

Verschillen in uitstoot binnen dierlijk eiwit

De vraag is niet alleen hoeveel dierlijk eiwit er overblijft, maar ook welk type dierlijk eiwit. Analyses van onder meer Wageningen University & Research, statistiekbureau CBS en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) laten zien dat de klimaatimpact sterk verschilt per diersoort.

Op basis van de meest recente LCA-database van het RIVM (2023/2024), die kijkt naar de volledige levenscyclus van ‘wieg tot consumptie’, ontstaan duidelijke verschillen:

• Kip: circa 10–11 kilo CO2-equivalent per kilo vlees

• Varken: circa 12–13 kilo CO2-equivalent per kilo vlees

• Rund: circa 30–31 kilo CO2-equivalent per kilo vlees

De relatief lage uitstoot van kip komt vooral door efficiënte voederconversie en het ontbreken van methaanemissies. Rundvlees kent juist een hoge klimaatimpact, met name door methaanuitstoot uit pensfermentatie. Varkensvlees bevindt zich daar tussenin, met emissies die grotendeels voortkomen uit voerproductie en mestverwerking.

Ter vergelijking: plantaardige eiwitbronnen zoals veldbonen zitten op circa 0,8–1,2 kilo CO2-equivalent per kilo product.

Dat dierlijk eiwit gemiddeld een grotere uitstoot heeft dan plantaardig eiwit, is daarmee duidelijk. Tegelijkertijd geeft CO2-uitstoot alleen een onvolledig beeld.

Van volume naar functie

Vanuit duurzaamheidsperspectief zou de manier waarop wordt gekeken naar dierlijk eiwit moeten veranderen, stellen verschillende onderzoekers waaronder hoogleraar Dieren & Duurzame Voedselsystemen Imke de Boer. De rol van dierlijk eiwit moet dan verschuiven van volume naar functie. Waar dierlijke productie lange tijd gericht was op maximale output, komt de nadruk in een toekomstig voedselsysteem te liggen op efficiëntie en het sluiten van kringlopen. Dat betekent dat dieren in toenemende mate worden ingezet om reststromen te verwaarden, zoals bijproducten uit de voedselverwerking die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie, en gras.

Tegelijkertijd verschuift de focus naar diersoorten die efficiënter omgaan met grondstoffen en een lagere klimaatimpact hebben, zoals pluimvee, varkens en in toenemende mate vis en schelpdieren. De verschillen in uitstoot tussen deze categorieën maken duidelijk dat niet elke dierlijke eiwitbron dezelfde plek kan behouden binnen die resterende 40%.

Er zijn allerlei ideeën over hoe de consumptie duurzamer kan, maar de grote vraag blijft ook hoe de consument hierin wordt meegenomen

Daarmee verandert ook de functie van dierlijke producten in het dieet. In plaats van een dominante bron van eiwit, worden ze meer een gerichte aanvulling vanwege hun voedingswaarde, bijvoorbeeld als bron van vitamine B12, ijzer en calcium. De invulling van die 40% ligt daarmee niet alleen in minder, maar vooral in anders: minder volume, een andere samenstelling en een betere benutting van het dier. Dat vraagt niet alleen aanpassingen in de productie, maar ook in consumptiepatronen en acceptatie van producten die nu nog minder vanzelfsprekend zijn, zoals orgaanvlees of schelpdieren.

De rol van dieren in een circulair systeem

Onderzoekers van Wageningen University & Research kijken in studies naar hoe een circulair voedselsysteem kan aansluiten op de uitgangspunten van het EAT-Lancet Commission-dieet. In zulke scenario’s verandert de rol van dieren fundamenteel.

Dieren verschuiven van primaire producenten van eiwit naar verwerkers van reststromen. Biomassa die niet geschikt is voor menselijke consumptie – zoals bijproducten uit de voedselverwerking en gras – kan worden opgewaardeerd tot hoogwaardige dierlijke producten en mest. Tegelijkertijd blijven dierlijke producten relevant als bron van essentiële nutriënten, zoals vitamine B12, bepaalde vetzuren en calcium.

Ook dierlijke mest speelt een belangrijke rol als organische bron van stikstof en fosfor en als alternatief voor kunstmest.

Binnen deze scenario’s is wel sprake van een forse krimp van de veestapel. In sommige modellen wordt een reductie van circa 90% genoemd, met name bij herkauwers. Tegelijkertijd verschuift de focus naar dieren die efficiënter omgaan met reststromen en een lagere klimaatimpact hebben, zoals varkens en pluimvee.

Dieren blijven daarmee onderdeel van het systeem, maar in kleinere aantallen en met een andere functie: het sluiten van kringlopen.

De rol van vis en schelpdieren

Naast vlees en zuivel blijven vis en schelpdieren in de discussie vaak onderbelicht, terwijl ze een rol kunnen spelen in de invulling van dierlijk eiwit.

Volgens de Nederlandse Schelpdierhandel zijn vooral schelpdieren interessant vanuit duurzaamheidsperspectief. Voorzitter Wouter van Zandbrink wijst erop dat visserij weinig landgebruik kent en dat aquacultuur schaalbaar kan zijn, mits goed ingericht.

Tegelijkertijd is overbevissing een belangrijk aandachtspunt en is de Europese aquacultuur nog beperkt ontwikkeld. Van Zandbrink: “Opschaling is enorm belangrijk als mariene eiwitten een bijdrage leveren aan het verduurzamen van de consumptie.”

Schelpdieren, zoals mosselen en oesters, hebben een kleine ecologische voetafdruk. Ze voeden zich met plankton en hebben geen aanvullende voeding of kunstmest nodig. De CO2-uitstoot is daardoor grotendeels beperkt tot de inzet van schepen, die stapsgewijs worden geëlektrificeerd. Bij schelpdieren is bovendien geen sprake van overbevissing, omdat het gaat om kweek op percelen onder water.

De focus ligt op plantaardig. Dat is goed, maar zo verlies je duurzame dierlijke eiwitbronnen uit het oog

Op dit moment eten Nederlanders te weinig vis en schelpdieren. Daarom riep voormalig landbouwminister Piet Adema ook op om mariene eiwitten los te zien van de eiwittransitie. Aanvankelijk maakte hij hierin geen expliciet onderscheid, maar later voegde hij mariene eiwitten alsnog toe, onder meer in een interview in het Reformatorisch Dagblad. In dat kader schreef hij dat “de verschuiving van dierlijke naar plantaardige eiwitten – met name gerealiseerd moet worden door gemiddeld minder vlees te gaan eten, met name minder rood en bewerkt vlees”.

Van Zandbrink stelt dat schelpdieren een zeer duurzame bron van eiwitten zijn. Het huidige 60/40-frame leidt er volgens hem echter toe dat mariene eiwitten onvoldoende in beeld zijn bij retail, de Rijksoverheid en de consument. “De focus ligt op plantaardig. Dat is goed, maar zo verlies je duurzame dierlijke eiwitbronnen uit het oog. Vis en schelpdieren worden onvoldoende gezien als onderdeel van het toekomstig menu.”

Hoe de retail hiermee omgaat

In de praktijk maken retailers al keuzes in hoe zij dierlijk eiwit positioneren. Ekoplaza heeft de gewenste balans van 60/40 al behaald. De verhouding ligt bij de biologische supermarkt op 66,2% plantaardig. Toch blijft dierlijk onderdeel van het assortiment.

Volgens Steven IJzerman, kwaliteitsmanager bij biologische groothandel Udea, is biologisch daarbij een randvoorwaarde. “We zien een rol voor dieren in de landbouw. In biologische systemen wordt gestreefd naar kringlopen waarin dieren een functie hebben. Vanuit die gedachte bieden we ook dierlijke producten aan.”

Biologisch vlees in het schap van Albert Heijn. Foto: Jan Willem Schouten Biologisch vlees in het schap van Albert Heijn. Foto: Jan Willem Schouten

Vraag van consument

Daarnaast speelt de vraag van de consument een rol. Ekoplaza probeert die vraag zo duurzaam mogelijk in te vullen, onder meer door te kijken naar herkomst en de bredere rol van dieren. Zo verkoopt de retailer vlees van dubbeldoelkoeien en dieren die eerst voor andere doeleinden zijn ingezet, zoals leghennen.

Ook zet de supermarkt in op het beter benutten van het dier. Orgaanvlees en vlees van mannelijke dieren, zoals bokken, maken onderdeel uit van het assortiment, al blijft de vraag daarnaar nog beperkt. IJzerman: “We proberen onze klanten te stimuleren om ook duurzame keuzes te maken met dierlijke producten. Dat vergt uitleg, maar dat is wel iets wat we belangrijk vinden als supermarkt.”

Herdefiniëring van dierlijk eiwit

Een duurzamere dierlijke consumptie hangt ook samen met hoe er naar voedsel wordt gekeken. De invulling van de 40% dierlijk verschuift dan fundamenteel. Niet langer staat de vraag centraal hoeveel dierlijk eiwit we produceren, maar welke rol het vervult binnen het voedselsysteem. Verschillen tussen diersoorten, productiemethoden en toepassingen worden daarin bepalend. Dierlijk eiwit blijft onderdeel van het dieet, maar verliest zijn positie als dominante eiwitbron en krijgt een meer gerichte functie: het benutten van reststromen, het leveren van specifieke nutriënten en het bijdragen aan het sluiten van kringlopen.

In de praktijk betekent dit een combinatie van minder consumptie, een verschuiving naar eiwitbronnen met een kleinere impact en een betere benutting van het dier. Tegelijkertijd vraagt dit om andere keuzes in de keten, van productie tot retail en consument. Daarmee ligt de sleutel voor die 40% niet alleen in reductie, maar in herdefiniëring: dierlijk eiwit als onderdeel van een efficiënter en meer circulair voedselsysteem.

Er zijn allerlei ideeën over hoe de consumptie duurzamer kan, maar de grote vraag blijft ook: hoe wordt de consument hierin meegenomen? Dat is hét vraagstuk, ook in de eiwittransitie. Het belang daarvan is onverminderd, want 60/40 is nog niet bereikt. Wel zien we meer initiatieven om dit vraagstuk op te lossen in de eiwittransitie. Wie pakt dit op bij duurzamer dierlijk?

Mis geen enkel topverhaal op Eiwit Trends

Dit premium artikel is enkel beschikbaar voor abonnees

Beperk risico's met betere investeringen

Versterk je ketenpositie met de juiste partners

Versnel innovaties met de nieuwste trends

Beleef journalistiek van top niveau door collega’s, ervaren redacteurs én experts uit de sector.

Alieke Hilhorst

Alieke Hilhorst

Afbeelding

Wendy Noordzij

Chris Polkamp

Chris Polkamp

Abonneer vanaf €19,20/maand

Snel delen

Alieke Hilhorst
Alieke Hilhorst

Redacteur