In dit artikel
Wie moet de leiding nemen in de eiwittransitie: consumenten, producenten of de overheid? Het is een vraag die al jaren rondzingt. Voedingsproducenten zetten stappen door hun assortiment te verbreden en steeds meer consumenten hebben interesse in plantaardig. Hoewel zowel consumenten als producenten stappen zetten richting meer plantaardige eiwitten, is de vraag welke rol de overheid speelt of zou moeten spelen in deze transitie minder duidelijk.
De eiwittransitie wordt gezien als een manier om duurzamer en gezonder te gaan eten. De Gezondheidsraad gaf in 2023 het advies om meer plantaardig te gaan eten, omdat dit zowel positief effect heeft op het milieu als op de gezondheid.
De overheid heeft als taak om de volksgezondheid te bevorderen (artikel 22) en draagt de zorg voor de bewoonbaarheid van het land en het milieu (artikel 21). Het zou logisch zijn dat de overheid de eiwittransitie stimuleert; het is immers gezonder voor de bevolking om minder vlees en zuivel te consumeren en meer plantaardig.
Toch gebeurt er weinig, stelt Lara Sibbing, programmamanager EU bij Transitiecoalitie Voedsel en oud-kandidaat Europese Verkiezingen voor GroenLinks-PvdA. “Er is niet echt beleid op de eiwittransitie, wel op landbouw en voedsel, maar dat beleid stuurt op dit moment vooral de andere kant op. Het Europese en Nederlandse landbouwbeleid sturen op een zo groot mogelijke productie per hectare en (indirect) op dierlijk. Wel heeft de overheid doelstellingen gesteld voor de consumptie van eiwitten: in 2030 moet 50% van de geconsumeerde eiwitten plantaardig zijn.” Dat ligt nu op 42% plantaardig en 58% dierlijk, volgens de Voedselconsumptiepeiling van het RIVM.
Nederlandse Eiwitstrategie
In 2020 is de Nationale Eiwitstrategie (NES) ontwikkeld. Die komt voort uit het verzoek van de Europese Commissie aan alle lidstaten om een plan te ontwikkelen minder afhankelijk te worden van eiwitimport. In 2018 kreeg de rijksoverheid de opdracht om een nationaal plan te ontwikkelen en verder uit te werken. In het Nederlandse plan is onder invloed van regionale overheden en het bedrijfsleven ook de innovatie- en consumptiekant meegenomen in het plan.
Kees Pieters, projectleider Agrifood & Innovatie bij de provincie Gelderland, was betrokken bij het opstellen van de NES. “Aanvankelijk zette het Rijk in op vergroting van het areaal eiwitrijke gewassen om daardoor minder afhankelijk te zijn van import. Maar het is ook belangrijk om mee te nemen dat het gewas afgezet kan worden en dat er een verdienmodel voor de boeren is. En dat vraagt nog verwerkingscapaciteit en innovatie om betere consumentenproducten te krijgen, die de vraag naar plantaardige eiwitten een boost kunnen geven. Met alleen het areaal vergroten kom je er niet. Die boodschap is aangekomen in Den Haag en zit nu goed in de NES.”
In de NES is een heel hoofdstuk gewijd aan de consumentenkant van de eiwitstrategie. In de Nationale Eiwitstrategie staat ‘Een verandering in voedselroutines kan dan ook niet (alleen) aan de consument worden overgelaten; ketenpartijen, horeca, onderwijsinstellingen en de overheid hebben ook een rol. Deze partijen dienen samen te werken op gelijktijdige verandering in eiwitgrondstoffen, consumentenproducten, voedselculturen, voedselvaardigheden en de materiele voedselomgeving’. In de NES staan acties die genomen moeten of kunnen worden door de overheden, zoals geformuleerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. De overheid heeft een taak in het stellen van doelen, aanjagen van coalities en monitoren van voortgang. Ook heeft de overheid een taak in het informeren van de consument, dat wordt gedaan door het Voedingscentrum.
We hebben niet te maken met een rijksoverheid die de 50/50-eiwitdoelstelling proactief najaagt
Verschillende beleidsopties
De opties die de overheid heeft, zijn uitgebreid, maar de een ook ingrijpender dan de ander. Op de Nuffield interventieladder staan de beleidsopties van zacht naar hard weergegeven. Een zachte optie is het verhogen van het consumentenbewustzijn door een informatiecampagne. Dit is een voorbeeld van de minst controversiële beleidsinterventie, maar ook de minst effectieve. Ingrijpendere maatregelen zijn beleidsopties die keuzes sturen, door true pricing toe te passen of de promotie van dierlijke producten te beperken. De laatste stap op de ladder is keuzes inperken of wegnemen, door bijvoorbeeld grenzen te stellen aan het aanbod van dierlijke voedingsmiddelen.
“Het mag duidelijk zijn dat zo’n ‘vleesrantsoenering’ ver af staat van de huidige stand van zaken”, zegt Hans Dagevos, onderzoeker aan Wageningen University & Research (WUR), die in opdracht van het ministerie van Landbouw Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) onderzoek deed naar verschillende beleidsopties. “De rijksoverheid staat op vele vlakken nu onderaan de ladder. Er is voornamelijk sprake van monitoring en activiteit als het om informatievoorziening gaat. Er zijn ook wel wat onderwerpen die zich hoger op de ladder bevinden, zoals bij het rijksinkoopbeleid. Maar over het algemeen kun je zeggen dat we niet te maken hebben met een rijksoverheid die de in 2022 door haarzelf geformuleerde 50/50-eiwitdoelstelling proactief najaagt.”

Ook Sibbing stelt dit vast: “De rijksoverheid zet op dit moment alleen ‘zachte’ instrumenten in, zoals campagnes van het Voedingscentrum zoals de Eetwissel. Maar voor een gedragsverandering is een goede mix van harde en zachte instrumenten nodig. Bij roken wordt gewerkt met voorlichtingscampagnes, een rookverbod bij openbare plekken, een leeftijdsgrens en accijnzen. Dat heb je ook eigenlijk nodig voor de eiwittransitie, want als je effectief beleid wil, moet je de hele gereedschapskist gebruiken.”
Kortom, hoewel er doelen zijn gesteld voor de consumptie van eiwitten en er initiatieven zijn zoals de Nationale Eiwitstrategie, lijkt het overheidsbeleid tot nu toe vooral gericht op zachte maatregelen, zonder de hardere beleidsinstrumenten die nodig zijn om een echte gedragsverandering te stimuleren.
Rijk laat het over aan anderen
Ook Pieters ziet dat het Rijk weinig doet en het vooral overlaat aan de regio’s en het bedrijfsleven. “Wij hebben de handschoen met de provincies zelf opgepakt, omdat wij het te lang vonden duren. Er zitten kansen aan de eiwittransitie en we denken ook dat het goed is voor het milieu en de mens. Maar wat wij als provincie kunnen doen is beperkt: wij hebben invloed van boer tot verwerking. Consumentenacceptatie en de voedselomgeving liggen meer op het bord van gemeenten en het Rijk. Ook Europese campagnes zijn veel effectiever.”
Een van de argumenten vanuit de politiek is dat zij niet kan en wil bepalen wat er op het bord van de burger ligt. Sibbing: “Voedsel is politiek heel erg gevoelig, want in hoeverre mag een ander bepalen wat je eet? Maar het misverstand is dat er nu geen invloed vanuit het beleid zou zijn. Het tegenovergestelde is waar: de rijksoverheid en de EU bepalen wat er op de markt mag komen en beïnvloeden wat er op de akkers staat door middel van subsidies. De productie van dierlijk voedsel wordt ook gestimuleerd doordat het promoten van dierlijke producten nog steeds gesubsidieerd wordt, ook vanuit de EU.”
Het ministerie van LVVN laat in een reactie weten zich niet te herkennen in het beeld dat het beleid rondom de eiwittransitie stilligt. Een aantal voorbeelden van acties zijn het opzetten van de Eiwitmonitor en het opzetten van een burgerpanel, waarvan de resultaten volgend jaar worden gepresenteerd.
LVVN is afhankelijk van de keuzes in de Tweede Kamer en de visie van de minister. Zolang daar geen keuzes worden gemaakt, gaan de ambtenaren van het ministerie door met de opdracht die al in uitvoering waren. Er worden op dit moment geen nieuwe activiteiten ondernomen. In 2025 presenteert minister Femke Wiersma een Nederlandse voedselstrategie, waar ambtenaren van LVVN ook hebben aangedrongen om de eiwittransitie op te nemen. Een woordvoerder laat weten dat in het nieuwe regeerprogramma een aantal haakjes staan waar de NES mogelijk een rol kan gaan spelen. “De inzet op meer voedselzekerheid of het creëren van een nationale voedselstrategie zijn hier voorbeelden van.”
Nieuwe technologieën
Naast het stimuleren van meer plantaardige eiwitten in plaats van dierlijke, kan de overheid nog meer doen. Zoals het ondersteunen van de ontwikkeling van nieuwe technologieën om eiwitten te produceren. Denk bijvoorbeeld aan (precisie)fermentatie en kweekvlees. Annemiek Verkamman, van belangenorganisatie voor de biotechsector Hollandbio, ziet dat er aan de ene kant veel aandacht is voor biotechnologie. “In verschillende brieven en rapporten stelt de overheid dat biotechnologie belangrijk is voor de toekomst. Ze stelt ook vast dat Nederland goed is in deze innovatie, denk bijvoorbeeld aan kweekvlees dat een Nederlandse uitvinding is. Daarnaast is er €60 miljoen uitgetrokken voor cellulaire landbouw en €248 miljoen voor een project om kennis over biotechnologie beter om te zetten in bedrijvigheid en toepassingen. De potentie wordt dus erkend, maar daar blijft het ook wel een beetje hangen. Je kunt geen gas geven als je tegelijkertijd op de rem drukt.”
Het beleid ligt volgens Verkamman vrijwel stil. “Er wordt oneindig veel gepraat over nieuwe technologieën, is het wel echt veilig? Dat is natuurlijk een enorm belangrijke vraag, maar als dat is vastgesteld moet daar ook op vertrouwd worden.”
Voedsel is politiek heel gevoelig, want in hoeverre mag een ander bepalen wat je eet? Maar het misverstand is dat er nu geen invloed vanuit het beleid zou zijn
Europa bepalend
Het Nederlandse beleid is ook onderhevig aan het Europees beleid. De Nederlandse markt ís de Europese markt en daar wordt een gelijk speelveld gecreëerd voor alle lidstaten. Denk bijvoorbeeld aan het verbod op legbatterij-eieren. Sibbing: “Dat zou de EU ook kunnen doen voor eiwitgewassen, zoals soja. Er kan een keuze gemaakt worden dat we stimuleren wat we hier willen telen en eisen stellen aan wat je van buiten haalt.” De EU sluit hiervoor handelsverdragen. De EU kan ervoor kiezen om de importregels strenger te maken, zodat er eerlijkere concurrentie ontstaat tussen Europese producenten en boeren en die daarbuiten. Hoewel zowel milieuorganisaties als boeren hier voorstanders van zijn, is dat niet zo makkelijk.
Pieters: “Europa heeft wel een groot areaal eiwitrijke gewassen, maar ruim 90% daarvan wordt in veevoer verwerkt. We komen al een eind als een deel daarvan direct voor humane consumptie beschikbaar komt. Ook dat vraagt innovatie en een andere mind set.”
Ook het Nederlandse beleid voor (precisie)fermentatie en kweekvlees is nauw verbonden met het Europese. Verkamman: “De EU moet toestemming geven voor toelating op de markt en de Europese voedselveiligheidsorganisatie Efsa beoordeelt of het veilig is om te consumeren. Ook de EU signaleert dat biotechnologie van enorm belang is en wil hier ook meer op inzetten. Maar ook hier blijft het vooral bij praten.”
Als de Nederlandse regelgeving over biotechnologie zo verweven is met de Europese, kan ons land dan wel zelf iets ondernemen? Ook hier ziet Verkamman mogelijkheden waarin de Nederlandse overheid de regie op zich kan nemen. “Zeker, er kunnen subsidies beschikbaar worden gesteld. Dat gebeurt nu ook wel, maar dat zijn vooral publiek-private subsidies waarbij zeggenschap over de besteding altijd bij de verbonden academie ligt. Als het doel is om productontwikkeling te versnellen, moet je de leiding bij het bedrijfsleven leggen.”
Is overheidsbeleid nodig?
Sibbing ziet een rol voor de overheid om hardere wetgeving in te zetten om keuzes te beïnvloeden. “Sommige dingen moet je gewoon invoeren, omdat je daarmee een nieuwe norm stimuleert. Ik denk aan het verbod op plastic tasjes. Hoewel dat eerst de nodige kritiek opleverde, raakten we daar met z’n allen heel snel aan gewend. Ik zie mogelijkheden voor de overheid om de vegetarische optie de standaard te maken bij alle overheidsinstanties, waarbij de consument dezelfde keuzevrijheid behoudt, maar vegetarisch de zogenoemde stille keuze wordt en je voor dierlijk bewust moet kiezen. Dat kun je invoeren zonder daar veel nadruk op te leggen.”

Dat beaamt ook Pieters. “De eiwittransitie is politiek gevoelig. Wij als provincies werken krachtig samen, maar er moet wel bestuurlijk draagvlak zijn voor de koers die we varen. Je ziet dat ook terug bij consumenten; verandering van het eetpatroon raakt onze eetcultuur en is niet eenvoudig; dat kun je niet forceren en kost tijd. Voor een verandering in consumptiegedrag is de rijksoverheid nodig.”
Verkamman ziet vooral dat de overheid bedrijven kan ondersteunen. “De regelgeving rondom biotechnologie is nodeloos ingewikkeld geworden en Nederland kan een dialoog aangaan om daar iets in te veranderen.”
WUR-onderzoeker Dagevos ziet een essentiële functie voor de overheid. Volgens hem geeft de keuze van de overheid aan hoe belangrijk iets is. “Het formuleren van een doelstelling bijvoorbeeld, is van groot belang voor retailers. Dat sterkt hun in de keuzes die zij maken in hun assortiment. Het gaat erom dat een gezaghebbende organisatie, dat kan de Gezondheidsraad, de Wereldgezondheidsorganisatie of de overheid zijn, zegt: dit vinden wij belangrijk en dit is de richting van de beweging. Op basis daarvan kunnen daarna ketenpartijen worden ondersteund en geactiveerd. Daar is wel een kanttekening bij: het beleid moet wel zelf het goede voorbeeld geven en consistent zijn in het volgen van de beoogde richting.”
Totdat er een besluit wordt genomen over hoe verder met de eiwittransitie, blijft het voornamelijk aan het bedrijfsleven en belangenorganisaties om meer plantaardig op het bord te krijgen. Beleidsmedewerkers blijven wachten op een ‘go’ en de eiwittransitie blijft liggen. De rijksoverheid kan de transitie versnellen, maar de vraag blijft: wil ze dat en wanneer dan?
Wie moet de leiding nemen in de eiwittransitie: consumenten, producenten of de overheid? Het is een vraag die al jaren rondzingt. Voedingsproducenten zetten stappen door hun assortiment te verbreden en steeds meer consumenten hebben interesse in plantaardig. Hoewel zowel consumenten als producenten stappen zetten richting meer plantaardige eiwitten, is de vraag welke rol de overheid speelt of zou moeten spelen in deze transitie minder duidelijk.
De eiwittransitie wordt gezien als een manier om duurzamer en gezonder te gaan eten. De Gezondheidsraad gaf in 2023 het advies om meer plantaardig te gaan eten, omdat dit zowel positief effect heeft op het milieu als op de gezondheid.
De overheid heeft als taak om de volksgezondheid te bevorderen (artikel 22) en draagt de zorg voor de bewoonbaarheid van het land en het milieu (artikel 21). Het zou logisch zijn dat de overheid de eiwittransitie stimuleert; het is immers gezonder voor de bevolking om minder vlees en zuivel te consumeren en meer plantaardig.
Toch gebeurt er weinig, stelt Lara Sibbing, programmamanager EU bij Transitiecoalitie Voedsel en oud-kandidaat Europese Verkiezingen voor GroenLinks-PvdA. “Er is niet echt beleid op de eiwittransitie, wel op landbouw en voedsel, maar dat beleid stuurt op dit moment vooral de andere kant op. Het Europese en Nederlandse landbouwbeleid sturen op een zo groot mogelijke productie per hectare en (indirect) op dierlijk. Wel heeft de overheid doelstellingen gesteld voor de consumptie van eiwitten: in 2030 moet 50% van de geconsumeerde eiwitten plantaardig zijn.” Dat ligt nu op 42% plantaardig en 58% dierlijk, volgens de Voedselconsumptiepeiling van het RIVM.
Nederlandse Eiwitstrategie
In 2020 is de Nationale Eiwitstrategie (NES) ontwikkeld. Die komt voort uit het verzoek van de Europese Commissie aan alle lidstaten om een plan te ontwikkelen minder afhankelijk te worden van eiwitimport. In 2018 kreeg de rijksoverheid de opdracht om een nationaal plan te ontwikkelen en verder uit te werken. In het Nederlandse plan is onder invloed van regionale overheden en het bedrijfsleven ook de innovatie- en consumptiekant meegenomen in het plan.
Kees Pieters, projectleider Agrifood & Innovatie bij de provincie Gelderland, was betrokken bij het opstellen van de NES. “Aanvankelijk zette het Rijk in op vergroting van het areaal eiwitrijke gewassen om daardoor minder afhankelijk te zijn van import. Maar het is ook belangrijk om mee te nemen dat het gewas afgezet kan worden en dat er een verdienmodel voor de boeren is. En dat vraagt nog verwerkingscapaciteit en innovatie om betere consumentenproducten te krijgen, die de vraag naar plantaardige eiwitten een boost kunnen geven. Met alleen het areaal vergroten kom je er niet. Die boodschap is aangekomen in Den Haag en zit nu goed in de NES.”
In de NES is een heel hoofdstuk gewijd aan de consumentenkant van de eiwitstrategie. In de Nationale Eiwitstrategie staat ‘Een verandering in voedselroutines kan dan ook niet (alleen) aan de consument worden overgelaten; ketenpartijen, horeca, onderwijsinstellingen en de overheid hebben ook een rol. Deze partijen dienen samen te werken op gelijktijdige verandering in eiwitgrondstoffen, consumentenproducten, voedselculturen, voedselvaardigheden en de materiele voedselomgeving’. In de NES staan acties die genomen moeten of kunnen worden door de overheden, zoals geformuleerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. De overheid heeft een taak in het stellen van doelen, aanjagen van coalities en monitoren van voortgang. Ook heeft de overheid een taak in het informeren van de consument, dat wordt gedaan door het Voedingscentrum.
We hebben niet te maken met een rijksoverheid die de 50/50-eiwitdoelstelling proactief najaagt
Verschillende beleidsopties
De opties die de overheid heeft, zijn uitgebreid, maar de een ook ingrijpender dan de ander. Op de Nuffield interventieladder staan de beleidsopties van zacht naar hard weergegeven. Een zachte optie is het verhogen van het consumentenbewustzijn door een informatiecampagne. Dit is een voorbeeld van de minst controversiële beleidsinterventie, maar ook de minst effectieve. Ingrijpendere maatregelen zijn beleidsopties die keuzes sturen, door true pricing toe te passen of de promotie van dierlijke producten te beperken. De laatste stap op de ladder is keuzes inperken of wegnemen, door bijvoorbeeld grenzen te stellen aan het aanbod van dierlijke voedingsmiddelen.
“Het mag duidelijk zijn dat zo’n ‘vleesrantsoenering’ ver af staat van de huidige stand van zaken”, zegt Hans Dagevos, onderzoeker aan Wageningen University & Research (WUR), die in opdracht van het ministerie van Landbouw Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) onderzoek deed naar verschillende beleidsopties. “De rijksoverheid staat op vele vlakken nu onderaan de ladder. Er is voornamelijk sprake van monitoring en activiteit als het om informatievoorziening gaat. Er zijn ook wel wat onderwerpen die zich hoger op de ladder bevinden, zoals bij het rijksinkoopbeleid. Maar over het algemeen kun je zeggen dat we niet te maken hebben met een rijksoverheid die de in 2022 door haarzelf geformuleerde 50/50-eiwitdoelstelling proactief najaagt.”

Ook Sibbing stelt dit vast: “De rijksoverheid zet op dit moment alleen ‘zachte’ instrumenten in, zoals campagnes van het Voedingscentrum zoals de Eetwissel. Maar voor een gedragsverandering is een goede mix van harde en zachte instrumenten nodig. Bij roken wordt gewerkt met voorlichtingscampagnes, een rookverbod bij openbare plekken, een leeftijdsgrens en accijnzen. Dat heb je ook eigenlijk nodig voor de eiwittransitie, want als je effectief beleid wil, moet je de hele gereedschapskist gebruiken.”
Kortom, hoewel er doelen zijn gesteld voor de consumptie van eiwitten en er initiatieven zijn zoals de Nationale Eiwitstrategie, lijkt het overheidsbeleid tot nu toe vooral gericht op zachte maatregelen, zonder de hardere beleidsinstrumenten die nodig zijn om een echte gedragsverandering te stimuleren.
Rijk laat het over aan anderen
Ook Pieters ziet dat het Rijk weinig doet en het vooral overlaat aan de regio’s en het bedrijfsleven. “Wij hebben de handschoen met de provincies zelf opgepakt, omdat wij het te lang vonden duren. Er zitten kansen aan de eiwittransitie en we denken ook dat het goed is voor het milieu en de mens. Maar wat wij als provincie kunnen doen is beperkt: wij hebben invloed van boer tot verwerking. Consumentenacceptatie en de voedselomgeving liggen meer op het bord van gemeenten en het Rijk. Ook Europese campagnes zijn veel effectiever.”
Een van de argumenten vanuit de politiek is dat zij niet kan en wil bepalen wat er op het bord van de burger ligt. Sibbing: “Voedsel is politiek heel erg gevoelig, want in hoeverre mag een ander bepalen wat je eet? Maar het misverstand is dat er nu geen invloed vanuit het beleid zou zijn. Het tegenovergestelde is waar: de rijksoverheid en de EU bepalen wat er op de markt mag komen en beïnvloeden wat er op de akkers staat door middel van subsidies. De productie van dierlijk voedsel wordt ook gestimuleerd doordat het promoten van dierlijke producten nog steeds gesubsidieerd wordt, ook vanuit de EU.”
Het ministerie van LVVN laat in een reactie weten zich niet te herkennen in het beeld dat het beleid rondom de eiwittransitie stilligt. Een aantal voorbeelden van acties zijn het opzetten van de Eiwitmonitor en het opzetten van een burgerpanel, waarvan de resultaten volgend jaar worden gepresenteerd.
LVVN is afhankelijk van de keuzes in de Tweede Kamer en de visie van de minister. Zolang daar geen keuzes worden gemaakt, gaan de ambtenaren van het ministerie door met de opdracht die al in uitvoering waren. Er worden op dit moment geen nieuwe activiteiten ondernomen. In 2025 presenteert minister Femke Wiersma een Nederlandse voedselstrategie, waar ambtenaren van LVVN ook hebben aangedrongen om de eiwittransitie op te nemen. Een woordvoerder laat weten dat in het nieuwe regeerprogramma een aantal haakjes staan waar de NES mogelijk een rol kan gaan spelen. “De inzet op meer voedselzekerheid of het creëren van een nationale voedselstrategie zijn hier voorbeelden van.”
Nieuwe technologieën
Naast het stimuleren van meer plantaardige eiwitten in plaats van dierlijke, kan de overheid nog meer doen. Zoals het ondersteunen van de ontwikkeling van nieuwe technologieën om eiwitten te produceren. Denk bijvoorbeeld aan (precisie)fermentatie en kweekvlees. Annemiek Verkamman, van belangenorganisatie voor de biotechsector Hollandbio, ziet dat er aan de ene kant veel aandacht is voor biotechnologie. “In verschillende brieven en rapporten stelt de overheid dat biotechnologie belangrijk is voor de toekomst. Ze stelt ook vast dat Nederland goed is in deze innovatie, denk bijvoorbeeld aan kweekvlees dat een Nederlandse uitvinding is. Daarnaast is er €60 miljoen uitgetrokken voor cellulaire landbouw en €248 miljoen voor een project om kennis over biotechnologie beter om te zetten in bedrijvigheid en toepassingen. De potentie wordt dus erkend, maar daar blijft het ook wel een beetje hangen. Je kunt geen gas geven als je tegelijkertijd op de rem drukt.”
Het beleid ligt volgens Verkamman vrijwel stil. “Er wordt oneindig veel gepraat over nieuwe technologieën, is het wel echt veilig? Dat is natuurlijk een enorm belangrijke vraag, maar als dat is vastgesteld moet daar ook op vertrouwd worden.”
Voedsel is politiek heel gevoelig, want in hoeverre mag een ander bepalen wat je eet? Maar het misverstand is dat er nu geen invloed vanuit het beleid zou zijn
Europa bepalend
Het Nederlandse beleid is ook onderhevig aan het Europees beleid. De Nederlandse markt ís de Europese markt en daar wordt een gelijk speelveld gecreëerd voor alle lidstaten. Denk bijvoorbeeld aan het verbod op legbatterij-eieren. Sibbing: “Dat zou de EU ook kunnen doen voor eiwitgewassen, zoals soja. Er kan een keuze gemaakt worden dat we stimuleren wat we hier willen telen en eisen stellen aan wat je van buiten haalt.” De EU sluit hiervoor handelsverdragen. De EU kan ervoor kiezen om de importregels strenger te maken, zodat er eerlijkere concurrentie ontstaat tussen Europese producenten en boeren en die daarbuiten. Hoewel zowel milieuorganisaties als boeren hier voorstanders van zijn, is dat niet zo makkelijk.
Pieters: “Europa heeft wel een groot areaal eiwitrijke gewassen, maar ruim 90% daarvan wordt in veevoer verwerkt. We komen al een eind als een deel daarvan direct voor humane consumptie beschikbaar komt. Ook dat vraagt innovatie en een andere mind set.”
Ook het Nederlandse beleid voor (precisie)fermentatie en kweekvlees is nauw verbonden met het Europese. Verkamman: “De EU moet toestemming geven voor toelating op de markt en de Europese voedselveiligheidsorganisatie Efsa beoordeelt of het veilig is om te consumeren. Ook de EU signaleert dat biotechnologie van enorm belang is en wil hier ook meer op inzetten. Maar ook hier blijft het vooral bij praten.”
Als de Nederlandse regelgeving over biotechnologie zo verweven is met de Europese, kan ons land dan wel zelf iets ondernemen? Ook hier ziet Verkamman mogelijkheden waarin de Nederlandse overheid de regie op zich kan nemen. “Zeker, er kunnen subsidies beschikbaar worden gesteld. Dat gebeurt nu ook wel, maar dat zijn vooral publiek-private subsidies waarbij zeggenschap over de besteding altijd bij de verbonden academie ligt. Als het doel is om productontwikkeling te versnellen, moet je de leiding bij het bedrijfsleven leggen.”
Is overheidsbeleid nodig?
Sibbing ziet een rol voor de overheid om hardere wetgeving in te zetten om keuzes te beïnvloeden. “Sommige dingen moet je gewoon invoeren, omdat je daarmee een nieuwe norm stimuleert. Ik denk aan het verbod op plastic tasjes. Hoewel dat eerst de nodige kritiek opleverde, raakten we daar met z’n allen heel snel aan gewend. Ik zie mogelijkheden voor de overheid om de vegetarische optie de standaard te maken bij alle overheidsinstanties, waarbij de consument dezelfde keuzevrijheid behoudt, maar vegetarisch de zogenoemde stille keuze wordt en je voor dierlijk bewust moet kiezen. Dat kun je invoeren zonder daar veel nadruk op te leggen.”

Dat beaamt ook Pieters. “De eiwittransitie is politiek gevoelig. Wij als provincies werken krachtig samen, maar er moet wel bestuurlijk draagvlak zijn voor de koers die we varen. Je ziet dat ook terug bij consumenten; verandering van het eetpatroon raakt onze eetcultuur en is niet eenvoudig; dat kun je niet forceren en kost tijd. Voor een verandering in consumptiegedrag is de rijksoverheid nodig.”
Verkamman ziet vooral dat de overheid bedrijven kan ondersteunen. “De regelgeving rondom biotechnologie is nodeloos ingewikkeld geworden en Nederland kan een dialoog aangaan om daar iets in te veranderen.”
WUR-onderzoeker Dagevos ziet een essentiële functie voor de overheid. Volgens hem geeft de keuze van de overheid aan hoe belangrijk iets is. “Het formuleren van een doelstelling bijvoorbeeld, is van groot belang voor retailers. Dat sterkt hun in de keuzes die zij maken in hun assortiment. Het gaat erom dat een gezaghebbende organisatie, dat kan de Gezondheidsraad, de Wereldgezondheidsorganisatie of de overheid zijn, zegt: dit vinden wij belangrijk en dit is de richting van de beweging. Op basis daarvan kunnen daarna ketenpartijen worden ondersteund en geactiveerd. Daar is wel een kanttekening bij: het beleid moet wel zelf het goede voorbeeld geven en consistent zijn in het volgen van de beoogde richting.”
Totdat er een besluit wordt genomen over hoe verder met de eiwittransitie, blijft het voornamelijk aan het bedrijfsleven en belangenorganisaties om meer plantaardig op het bord te krijgen. Beleidsmedewerkers blijven wachten op een ‘go’ en de eiwittransitie blijft liggen. De rijksoverheid kan de transitie versnellen, maar de vraag blijft: wil ze dat en wanneer dan?
Mis geen enkel topverhaal op Eiwit Trends
Dit premium artikel is enkel beschikbaar voor abonnees
Beperk risico's met betere investeringen
Versterk je ketenpositie met de juiste partners
Versnel innovaties met de nieuwste trends
Beleef journalistiek van top niveau door collega’s, ervaren redacteurs én experts uit de sector.
Chris Polkamp
Alieke Hilhorst
Wendy Noordzij