Burgers van Mosa Meat bestaan voor een klein gedeelte uit gecultiveerd rundervet en verder uit plantaardige ingrediënten. Foto: Mosa Meat
In dit artikel
“Heb je de laatste tijd nog iets meegemaakt dat je inspireerde voor een nieuwe column?”, vroeg redacteur Alieke Hilhorst me twee weken geleden bij het event dat we met Innovatiehuis Noord-Veluwe organiseerden bij Bieze Food Solutions in Nijkerk. Jaap Korteweg stond op het programma, maar het waren vooral de gesprekken ná het podium die me aan het denken zetten. En Aliekes vraag bleef hangen.
Tijdens het proeven van een hybride burger — die ik eerlijk gezegd niet van de vleesvariant kon onderscheiden — vertelde Bieze waarom het naast zuivel nu ook in hybride vleesproducten stapt. Verrassender vond ik Jaaps reactie. Als pionier van plantaardige vleesvervangers zag hij de opmars van hybride niet als bedreiging, maar als tijdelijke ondersteuning van een sector die even pas op de plaats moet maken.
Hybride kweekvlees
Opvallend is dat niet alleen de plantaardige sector, maar ook de kweekvleeswereld opschuift richting hybride. Hoewel bedrijven daar benadrukken dat ze nooit 100% kweekvlees hebben beloofd, blijft het beeld hangen — niet in de laatste plaats door de eerste burger van Mark Post in 2013, waarvan werd gezegd dat die volledig uit gekweekt spierweefsel bestond. In de praktijk leveren veel kweekvleesbedrijven nu vooral vetcellen of smaakcomponenten voor plantaardige producten. Een strategie die logisch is: kweekvleesproducten die vandaag in Singapore of de VS op de markt zijn, bevatten slechts enkele procenten dierlijke cellen, de rest is plantaardig.
Dat zet aan tot denken, zeker als je het vergelijkt met de hybride vleesproducten die consumenten in Nederland nu kopen. Die bevatten gemiddeld zo’n tien keer méér dierlijk aandeel — vaak 60% vlees en 40% plantaardig — en vinden brede acceptatie in de supermarkt. Of kweekvleesproducten met slechts een paar procent dierlijke cellen ooit dezelfde acceptatie krijgen, is nog maar de vraag. Niet voor niets kiezen grote spelers in kweekvlees voor zulke lage percentages: de businesscase is al uitdagend genoeg, laat staan als je tien keer zoveel gekweekte cellen moet toevoegen.
Twee scenario’s
Dat brengt me bij twee mogelijke toekomstscenario’s voor de kweekvleesindustrie. In het eerste scenario lukt het bedrijven om hogere percentages gekweekte cellen in hun producten te verwerken, vergelijkbaar met het dierlijk aandeel in huidige hybride vleesproducten. Dat zou nodig zijn om retailers te overtuigen en consumenten te winnen.
Dan rijst meteen de vraag of de businesscase van kweekvlees ooit sluitend wordt. De kostprijs per kilo celmateriaal is nog altijd vele malen hoger dan die van dierlijk vlees of plantaardige eiwitten. Als de sector al moeite heeft om enkele procenten rendabel te produceren, hoe haalbaar is het dan om tien keer zoveel te maken zonder opnieuw in de ‘valley of death’ van biotechnologie te belanden?
In het tweede scenario zijn het juist de hybride producenten die stap voor stap het dierlijke aandeel blijven verlagen — van 60% naar 30%, naar misschien wel enkele procenten — zonder dat consumenten het merken of afhaken. Dan zouden hybride producten qua samenstelling sterk gaan lijken op de kweekvleesproducten die nu in Singapore of de VS worden verkocht.
In dat scenario verschuift de vraag: blijft de beloofde milieuwinst van kweekvlees dan nog overeind? Als de bijdrage van dierlijke of gekweekte cellen marginaal wordt, valt de vergelijking met conventioneel vlees weg. Daarmee vervallen ook de spectaculaire claims over besparing van energie, water, land en uitstoot.
Misschien ligt de toekomst van de eiwittransitie niet in een technologische revolutie, maar in een pragmatische evolutie
Roep om pragmatisme
Binnen de kweekvleessector begint hierover spanning te ontstaan. Onderzoekers en academici, die belang hebben bij voortzetting van langdurige onderzoeksprogramma’s, blijven hameren op technologische perfectie. Tegelijkertijd voelen bedrijven de hete adem van durfinvesteerders die al miljarden hebben geïnvesteerd en eindelijk zwarte cijfers willen zien. De roep om pragmatisme groeit — om niet langer te beloven dat men het vlees ‘vervangt’, maar dat men het ‘aanvult’.
Dat brengt me terug bij die hybride burger van Bieze. Die smaakte als vlees, kostte als vlees en werd zonder aarzeling geaccepteerd. Misschien ligt de toekomst van de eiwittransitie niet in een technologische revolutie, maar in een pragmatische evolutie. Alleen blijft dan één vraag hangen: als we uiteindelijk hybride producten eten met nog maar een paar procent dierlijk of gekweekt materiaal, waar ligt dan nog de grens tussen innovatie en illusie?
“Heb je de laatste tijd nog iets meegemaakt dat je inspireerde voor een nieuwe column?”, vroeg redacteur Alieke Hilhorst me twee weken geleden bij het event dat we met Innovatiehuis Noord-Veluwe organiseerden bij Bieze Food Solutions in Nijkerk. Jaap Korteweg stond op het programma, maar het waren vooral de gesprekken ná het podium die me aan het denken zetten. En Aliekes vraag bleef hangen.
Tijdens het proeven van een hybride burger — die ik eerlijk gezegd niet van de vleesvariant kon onderscheiden — vertelde Bieze waarom het naast zuivel nu ook in hybride vleesproducten stapt. Verrassender vond ik Jaaps reactie. Als pionier van plantaardige vleesvervangers zag hij de opmars van hybride niet als bedreiging, maar als tijdelijke ondersteuning van een sector die even pas op de plaats moet maken.
Hybride kweekvlees
Opvallend is dat niet alleen de plantaardige sector, maar ook de kweekvleeswereld opschuift richting hybride. Hoewel bedrijven daar benadrukken dat ze nooit 100% kweekvlees hebben beloofd, blijft het beeld hangen — niet in de laatste plaats door de eerste burger van Mark Post in 2013, waarvan werd gezegd dat die volledig uit gekweekt spierweefsel bestond. In de praktijk leveren veel kweekvleesbedrijven nu vooral vetcellen of smaakcomponenten voor plantaardige producten. Een strategie die logisch is: kweekvleesproducten die vandaag in Singapore of de VS op de markt zijn, bevatten slechts enkele procenten dierlijke cellen, de rest is plantaardig.
Dat zet aan tot denken, zeker als je het vergelijkt met de hybride vleesproducten die consumenten in Nederland nu kopen. Die bevatten gemiddeld zo’n tien keer méér dierlijk aandeel — vaak 60% vlees en 40% plantaardig — en vinden brede acceptatie in de supermarkt. Of kweekvleesproducten met slechts een paar procent dierlijke cellen ooit dezelfde acceptatie krijgen, is nog maar de vraag. Niet voor niets kiezen grote spelers in kweekvlees voor zulke lage percentages: de businesscase is al uitdagend genoeg, laat staan als je tien keer zoveel gekweekte cellen moet toevoegen.
Twee scenario’s
Dat brengt me bij twee mogelijke toekomstscenario’s voor de kweekvleesindustrie. In het eerste scenario lukt het bedrijven om hogere percentages gekweekte cellen in hun producten te verwerken, vergelijkbaar met het dierlijk aandeel in huidige hybride vleesproducten. Dat zou nodig zijn om retailers te overtuigen en consumenten te winnen.
Dan rijst meteen de vraag of de businesscase van kweekvlees ooit sluitend wordt. De kostprijs per kilo celmateriaal is nog altijd vele malen hoger dan die van dierlijk vlees of plantaardige eiwitten. Als de sector al moeite heeft om enkele procenten rendabel te produceren, hoe haalbaar is het dan om tien keer zoveel te maken zonder opnieuw in de ‘valley of death’ van biotechnologie te belanden?
In het tweede scenario zijn het juist de hybride producenten die stap voor stap het dierlijke aandeel blijven verlagen — van 60% naar 30%, naar misschien wel enkele procenten — zonder dat consumenten het merken of afhaken. Dan zouden hybride producten qua samenstelling sterk gaan lijken op de kweekvleesproducten die nu in Singapore of de VS worden verkocht.
In dat scenario verschuift de vraag: blijft de beloofde milieuwinst van kweekvlees dan nog overeind? Als de bijdrage van dierlijke of gekweekte cellen marginaal wordt, valt de vergelijking met conventioneel vlees weg. Daarmee vervallen ook de spectaculaire claims over besparing van energie, water, land en uitstoot.
Misschien ligt de toekomst van de eiwittransitie niet in een technologische revolutie, maar in een pragmatische evolutie
Roep om pragmatisme
Binnen de kweekvleessector begint hierover spanning te ontstaan. Onderzoekers en academici, die belang hebben bij voortzetting van langdurige onderzoeksprogramma’s, blijven hameren op technologische perfectie. Tegelijkertijd voelen bedrijven de hete adem van durfinvesteerders die al miljarden hebben geïnvesteerd en eindelijk zwarte cijfers willen zien. De roep om pragmatisme groeit — om niet langer te beloven dat men het vlees ‘vervangt’, maar dat men het ‘aanvult’.
Dat brengt me terug bij die hybride burger van Bieze. Die smaakte als vlees, kostte als vlees en werd zonder aarzeling geaccepteerd. Misschien ligt de toekomst van de eiwittransitie niet in een technologische revolutie, maar in een pragmatische evolutie. Alleen blijft dan één vraag hangen: als we uiteindelijk hybride producten eten met nog maar een paar procent dierlijk of gekweekt materiaal, waar ligt dan nog de grens tussen innovatie en illusie?
Mis geen enkel topverhaal op Eiwit Trends
Dit premium artikel is enkel beschikbaar voor abonnees
Beperk risico's met betere investeringen
Versterk je ketenpositie met de juiste partners
Versnel innovaties met de nieuwste trends
Beleef journalistiek van top niveau door collega’s, ervaren redacteurs én experts uit de sector.
Chris Polkamp
Alieke Hilhorst
Wendy Noordzij